Frans Hals en de Hollandse toets Carel Peeters bespreekt Frans Hals, naar aanleiding van de tentoonstelling “Frans Hals, oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan”. Toen Karel van Mander het in zijn Schilderboek (1604) had over het verschil tussen het ‘nette’ en het ‘ruwe’ schilderen nam hij Titiaan en Tintoretto als voorbeelden van het ruwe, losse schilderen. Ze werden daarin veel nagevolgd, maar het lukte bijna niemand om deze moeilijkste van alle schilderstechnieken te evenaren, behalve Frans Hals. Van allebei, van Titiaan en Tintoretto, hangt op de tentoonstelling Frans Hals, oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan in het Frans Halsmuseum een schilderij, ook al is het niet waarschijnlijk dat Hals zelf ooit een schilderij van hen gezien heeft. Het is een tentoonstelling over Hals (1582-1666), maar vooral over invloed, imitatie, navolging en concurrentie tussen schilders in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De samenstelster Anna Tummers is niet terughoudend als het gaat om het aanbrengen van verbanden tussen Hals en schilders als Rembrandt, Rubens, Anthony van Dyck, Jordaens, Titiaan en Tintoretto, ook al berusten die verbanden grotendeels op heel suggestieve circumstantial evidence. Frans Hals zou iets van de ‘weergaloze schetsmatigheid’ van de Italiaan Tintoretto (1518-1594) over hebben genomen omdat zijn leermeester Karel van Mander een leerling was van Pieter Vlerick, die een weer leerling was geweest van Tintoretto. Dit zou je invloed in de derde macht kunnen noemen. Die wordt weer onderbouwd met een ander vermoeden: dat Frans Hals in het jaar 1616 bij zijn twee maanden durende bezoek aan zijn geboortestad Antwerpen ‘zonder meer’ een bezoek zou hebben gebracht aan het atelier van Rubens. En die had meerdere werken van Tintoretto in huis. Dat Tintoretto in verband met Frans Hals opduikt wordt nog eens extra verantwoord door wat Karel van Mander over hem schrijft in zijn Schilderboek. Hij zingt daarin de lof van Tintoretto’s ruwe manier van schilderen. Wat zijn Italiaanse evenknie Vasari slechts ‘lukraak’ schilderen van Tintoretto noemde, dat hij ‘zo ruw te werk ging, dat je de penseelstreken als klodders zag liggen’, wekte juist de bewondering van Van Mander. Hij noemde het ‘stout en aerdich coloreren’. Dit heette de Venetiaanse schilderstijl. ‘Ongetwijfeld heeft Van Mander die overgedragen op de jonge Hals,’ heet het in de catalogus. Afgezien over invloed en wedijver (Rembrandt die zich voor De staalmeesterslaat beïnvloeden door een regentenportret van Hals, Van Dyck die een energieke houding op een portret van Hals imiteert) gaat deze tentoonstelling over de magie van Frans Hals’ werkwijze, zijn ‘spontane toets’. Zo noemde zijn negentiende-eeuwse herontdekker Théophile Thoré Hals’ karakteristieke schildershandschrift. Hals kon ‘alla prima’ schilderen, nat-in-nat, zonder eerst een schets te maken, meteen op het doek. Een snelle, gewaagde techniek natuurlijk, maar wel een die leven in het schilderij bracht. Speciaal wanneer het om de moeilijk te schilderen lach ging. Die vluchtige toets werd in Hals eigen tijd onmiddellijk bewonderd op nu wereldberoemde schilderijen als de lachende dronkenlap Pekelharing, de Lachende jongen, de aandoenlijke Catharina Hooft en haar min, de Jongeman met schedel, het portret van Jasper Schade, de heftigeMalle Babbe, de innemend lachende Isabella Coymans, de Luitspelende nar en menige kop op Hals’ schuttersstukken. Hals schilderde geen verstilde portretten, maar bewegende: er wordt gelachen, er wordt een arrogant gezicht getrokken (zoals door Jasper Schade), er is een glimlach te zien, er wordt een steelse blik geworpen, er wordt verbaasd of verrast gekeken. Het is een en al uitdrukking op de gezichten. Er gebeurt altijd iets. Dat was nooit eerder gedaan. Tot Hals opdook was het portret een variant van het stilleven. Het moest rust en beheersing uitstralen. Hals’ tijdgenoot Theodorus Schrevelius schreef over zijn portretten ‘dat se schijnen asem van haer te gheven, ende leven’. Dat die schilderijen ademden en leefden kwam door die ‘spontane toets’. Het bijzondere aan Hals’ verfstreek is het onderwerp van het aan hem gewijde nummer van Kunstschrift, waarin Ernst van de Wetering, Mariëtte Haveman, Jeroen Stumpel en Carel Blotklamp een vergrootglas houden bij het ‘kwasten’ van Hals (dat het best tot zijn recht komt als je er van enige afstand naar kijkt). De meeste schilders maakten hun verfstreek onzichtbaar. Hals, schrijft Stumpel, laat met zijn ‘robuuste werkwijze’ de voorstelling juist ‘opbloeien uit het patroon van verfstreken’. Hij noemt de Lachende jongen met zijn opzichtige tanden en wilde haren ‘een wonderwerkje, waarop je tijdenlang en steeds opnieuw de trefzekere ontmoeting kunt bewonderen van de beweging van de schildershand met de emotie op het geschilderde gezichtje. (-) We zien een etalage van vaardigheid, waarbij het rafelige en slordige dienstbaar is gemaakt aan de weergave van beweeglijkheid. Dat zit in de lange halen van haren, of de ruige stroken die een hemdje moeten zijn, of in de lichte toets bij de mondhoek rechts die met de lachende lippen omhoog krult.’ Met zijn losse schildertrant wist Hals ook met trefzekere veegjes, streepjes en toetsjes in alle nuances wit het mooiste kant te schilderen. Of een rijk geborduurde jas, zoals die van Isabelle Coymans. Het kostbare jasje van de hooghartige Jasper Schade wordt gesuggereerd door wat schijnbaar slordige geelachtige strepen. Nadat Théophile Thoré Hals in het midden van de negentiende eeuw had herontdekt zagen Manet, Cézanne, Whistler en Van Gogh vrij snel dat ze in hem een verwante geest hadden. Hij werd een voorloper van de impressionisten en van de schilders van wie de verfstreek gezien mocht worden. Van Gogh houdt niet op over Hals aan zijn broer te schrijven: over zijn kleuren, zijn snelheid, over zijn zevenentwintig soorten zwart, over de vele grijzen in het portret van ‘de vaandrig’ helemaal links op het schilderij van ‘De magere compagnie’: ‘ik heb zelden goddelijk mooier figuur gezien’, schrijft hij. Ook al zegt hij niet chauvinistisch te willen zijn, in Hals’ manier van schilderen herkent Carel Blotkamp een typisch ‘Hollandse toets’. Er loopt een lijn van Hals en de late ruwe Rembrandt naar Breitner, Floris Verster, Karel Appel, Willem De Kooning en zelfs naar de vroege Mondriaan. ‘We leven kennelijk in een cultuur waarin een losse schildertrant vanouds werd gewaardeerd’, schrijft Blotkamp. Hij doet zelfs een poging om die typisch Hollandse toets te omschrijven: ‘In vergelijking met Franse schilders is het handschrift van Nederlandse schilders in het algemeen minder faciel en wat grover, rijker. Weelderig, dat is misschien een goede karakteristiek van de Hollandse toets.’ Dat ‘weelderig’ past goed bij de altijd goedgemutste Hals. |