| |
Tot nog niet zo lang geleden overheerste het beeld dat de geschiedenis van Afrika ten zuiden van de Sahara pas begon op het moment dat de eerste Europeanen er voet
aan wal zetten. Zo beweerde de bekende Engelse historicus Hugh Trevor-Roper in 1965 dat het Afrikaanse verleden niets meer te bieden had dan “the unrewarding gyrations of barbarous
tribes in picturesque but irrelevant quarters of the globe”. Een ander voorbeeld is de bewering van de Hongaarse marxist Endre Sik in 1966 dat het irreëel is om van
“geschiedenis” in de wetenschappelijke zin van het woord te spreken vóór de komst van de Europeanen, aangezien de Afrikanen tot dat moment nog een primitief
en barbaars bestaan leefden. Dat zijn stevige uitspraken. Het feit is in ieder geval dat geschiedschrijving over Afrika nauwelijks bestond.
Tegenwoordig is dat beeld volledig gewijzigd en wordt er veel onderzoek naar de geschiedenis van Afrika gedaan. Het reconstrueren van de prekoloniale geschiedenis wordt echter bemoeilijkt
door het beperkt aantal geschreven bronnen, artefacten of archeologische overblijfselen in de vorm van stenen bouwwerken. Bovendien spreken bronnen elkaar vaak tegen. Hoe dan ook
… onderzoekers zijn het met elkaar eens dat de historie van de mensheid in Afrika is begonnen. Men heeft namelijk bewijzen dat op het Afrikaanse continent de eerste vormen van
menselijk leven verschenen, voordat ze noordwaarts naar Europa en Azië migreerden.
In de koloniale geschiedenis neemt zuidelijk Afrika een unieke plaats in. Koloniën kunnen grofweg worden verdeeld in twee soorten. Er zijn handelskoloniën zoals Indonesië,
India, Ghana en Ivoorkust, die functioneerden als leverancier van grondstoffen en agrarische producten en er zijn vestigingskoloniën zoals de Verenigde Staten, Australië en
Nieuw Zeeland die massale immigratie uit Europa kenden. De oorspronkelijke bevolking van deze laatstgenoemde koloniën is daar volledig gemarginaliseerd. Eskimo’s, indianen,
aboriginals en Maori’s hebben vrijwel geen invloed op de ontwikkelingen in hun land. De landen in zuidelijk Afrika bevinden zich in een soort tussenpositie. Hoewel veel Europeanen
zich hier in de loop van de tijd hebben gevestigd, is de lokale bevolking steeds een essentiële rol blijven vervullen.
Portugezen en Nederlanders
De eerste Europeaan die voet aan wal zette in zuidelijk Afrika, was de Portugese zeevaarder Diego Cão. In 1485 zette hij 100 kilometer ten noorden van het huidige Swakopmund
(Cape Cross) een kruis neer ten teken dat de Portugese Kroon beslag had gelegd op deze kust. Zijn landgenoot Bartholomeus Diaz legde 3 jaar
later ongeveer 600 kilometer zuidelijker (Lüderitz Peninsula) zijn schip aan in een baai die bij Angra Pequenha noemde.
Als eerste Eurpeaan die de Kaap rondde, werd hij wereldberoemd. De Portugezen toonden echter geen enkele interesse in zuidelijk Afrika. Ze handelden in slaven, goud en ivoor vanaf de
noordelijker gelegen kusten van het huidige Angola en Mozambique.
De Nederlanders waren vooral geinteresseerd in de specerijen uit Zuidoost Azië. Een van de Oost-Indiëvaarders, de “Haarlem” strandde in de Tafelbaai in 1648.
Een jaar later werd de bemanning opgepikt. Terug in Holland vertelden ze over het aangename klimaat en de goede mogelijkheden om op de Kaap akkerbouw en veeteelt te bedrijven. Dit was
voor de VOC aanleiding om de Kaap tot een permanent bewoond steunpunt te maken, hetgeen in 1652 door Jan van Riebeeck werd gerealiseerd. Al snel vestigden zich er ook Nederlandse
boeren, Franse hugenoten en Duitsers om landbouw te bedrijven. Het aantal inwoners van de Kaap bleef de eerste eeuw echter bescheiden.
Britten op de Kaap en de grote trek
Nederland kreeg eind 18de eeuw wat meer vertrouwen in de toekomst van de Kaap. In 1793 werd een claim gelegd op Walvisbaai, de enige natuurlijke haven aan de Afrikaanse zuidwestkust,
die bovendien van belang was voor de walvisvaart. Veel plezier van Walvisbaai had Nederland echter niet, want in 1795 werd de Kaap door de Britten bezet, die het als een belangrijk
steunpunt zagen in het snelgroeiende Britse koloniale rijk. De culturele verschillen tussen de moderne Britten en de traditionele Boeren, zoals de mengelmoes van Nederlanders, Duitsers
en Fransen zich noemden, maakten dat de spanning tussen de twee bevolkingsgroepen toenam, waarop de Boeren halverwege de 19de eeuw massaal noordoostwaarts trokken. Deze volksverhuizing
die bekend staat als de Grote Trek, bracht de Boeren in oorlog met de Zoeloes. Onder leiding van hun krijgszuchtige leider Shaka hadden zij een enorm leger opgebouwd, waardoor ze waren
uitgegroeid tot het machtigste Afrikaanse volk in de regio.
Hoewel de Boeren aanvankelijk zware verliezen leden, wisten ze de oorlog uiteindelijk te winnen. Ze namen de helft van het Zoeloeland in bezit en stichtten 3 Boerenrepublieken: Natal,
Oranje Vrijstaat en Transvaal. De Britten erkenden de 2 laatsten, maar maakten zich grote zorgen over Natal, dat een groot en voor Groot-Brittanië strategisch gelegen stuk kust
besloeg. Natal werd dan ook door de Britten geannexeerd.
De expansiedrang van de Britten, Boeren en Zoeloes had een aantal volkeren verdreven. De Ndebele trokken onder leiding van koning Mzilikazi noordwaarts, onderwierpen de Shona en vestigden
zich in het westen van wat nu Zimbabwe is. De Nama werden vanuit de Kaap steeds meer naar het noorden gedreven. Ze trokken, aangevoerd door hun grote leider Jonker Afrikaner, de Oranjerivier
over, overwonnen lokale Namastammen en dreven de Herero naar het noorden. De Nama stichtten een machtig rijk dat een groot deel van het huidige Namibië omvatte.
Ontdekkingsreizigers en missionarissen
Europeanen hadden zich gevestigd in een gebied dat in het noorden grofweg werd begrensd door Limpopo en Oranje. De eersten die het gebied ten noorden van deze rivieren bezochten, waren
ontdekkingsreizigers, missionarissen en olifantenjagers. De Duitse broers Abraham en Christian Albrecht waren de eerste missionarissen in zuidelijk Namibië. Verschillende anderen
zouden volgen. De omstandigheden in Namibië waren verschrikkelijk zwaar, mede door de oorlogen die tussen Nama en Herero werden gevoerd.
De eerste blanke die in contact kwam met de Tswana, was de Brit Robert Moffat. Deze bevlogen missionaris stichtte in 1817 een missiepost in Kuruman, Bechuanaland, en vertaalde de bijbel
in Setswana. De dochter van Moffat, Mary, trouwde in 1841 met David Livingstone. Hoewel Livingstone ook missionaris en arts was, zou hij vooral bekend worden door zijn ontdekkingsreizen
in zuidelijk Afrika. Vergezeld door zijn gezin trok hij door de Kalahari en zag als eerste Europeaan de Okavango Delta. Hij vestigde zich aan de Zambezi, waar vandaan hij bij Luanda de
Atlantische kust bereikte. Livingstone werd volledig in beslag genomen door het verlangen het christendom via de inheemse handelsroute langs de Zambezi naar de binnenlanden te brengen
om zo de Afrikaanse volkeren te ontwikkelen. Ook was hij fel gekant tegen de slavenhandel. Toen Livingstone voor de tweede maal de Afrikaanse binnenlanden introk, gesteund door de
Royal Geographical Society, ontdekte hij in 1855 de Victoria Falls en wist hij in 1856 de kust van Mozambique te bereiken, waarmee hij de eerste Europeaan was die Afrika doorkruiste.
Deze ontdekkingstocht maakte hem wereldberoemd, en ook geliefd bij grote delen van de Europese bevolking vanwege zijn levenshouding.
Met Livingstones boeken zou de vermaarde kolonist Cecil Rhodes een paar decennia later zijn voordeel doen.
Eerste Boerenoorlog (1880 – 1881)
In 1867 werd aan de noordgrens van de Kaapkolonie diamant gevonden, een gebeurtenis met ingrijpende gevolgen. Tal van Europese, Noord-Amerikaanse en Australische immigranten kwamen
erop af, waarna de tot dan toe traditioneel agrarische samenleving in korte tijd tot een industriële transformeerde. Grote bedragen werden geïnvesteerd in het aanleggen van
diamantmijnen en spoorwegen. De stad Kimberley, op de grens van de Kaapkolonie en Oranje Vrijstaat, werd het centrum van de diamanthandel. Cecil Rhodes, fortuinmaker in de diamantindustrie,
was een van de stichters van De Boers Consolidated Mining Company, een bedrijf dat in korte tijd 90% van de wereldproductie aan diamanten beheerste.
Terwijl het de Kaap voor de wind ging, kampte Transvaal met problemen. De Boerenrepubliek had nog steeds te maken met de Zoeloes. Hun onderlinge oorlogen verzwakte de republiek dermate
dat er nauwelijks verzet kon worden geboden tegen de inlijving bij het Britse koloniale rijk in 1877. De Boeren legden zich echter niet neer bij de Britse overheersing en begonnen in
1880 onder leiding van Paul Kruger een gewapende onafhankelijkheidsstrijd die bekend staat als de Eerste Boerenoorlog. De oorlog werd verrassend door de Boeren gewonnen, waardoor
Transvaal in 1881 opnieuw een onafhankelijke Boerenrepubliek werd met Paul Kruger als president.
Duitsland in zuidelijk Afrika
Rond 1880 was er sprake van een tamelijk rustige situatie. Britten en Boeren manifesteerden zich als koloniale mogendheden, terwijl meer noordwaarts de Portugezen zich over Angola en
Mozambique ontfermden. De relatieve kalmte veranderde toen Duitsland het koloniale toneel betrad. De Namib, zich uitstrekkend langs de gehele Afrikaanse zuidwestkust, zorgde ervoor
dat Europeanen tot dan toe geen interesse hadden getoond voor zuidwestelijk Afrika, dat alleen in Walvisbaai een vestigingsplaats van enig belang had. Maar in 1883 kocht de Duitse
ondernemer en avonturier Franz Adolf Eduard Lüderitz een stuk Namib van de Nama. Hij doopte het Lüderitzland en breidde het grondgebied in korte tijd verder uit. De Britten
waren niet gecharmeerd van die Duitse voortvarendheid. Toen Lüderitz vernam dat de Kaapkolonie zijn land wilde annexeren, vroeg hij bescherming aan de Duitse kanselier Bismarck.
Zijn verzoek werd gehonoreerd. Lüderitzland werd Deutsch-Südwestafrika, maar Walvisbaai bleef in handen van de Britten. De eerste gouverneur van Südwest werd Heinrich
Göring (de vader van Hermann).
Zuistwest-Afrika groeide gestaag. De laatste gebiedsuitbreiding zou plaatsvinden in 1890. Bij een ingewikkelde ruil werd bepaald dat de Britten onder meer Oeganda en Zanzibar mochten
hebben en dat de Duitsers Oost-Afrika konden uitbreiden en via een corridor, de Caprivi Strip, vanuit Zuidwest-Afrika toegang kregen tot de Zambezi.
Britse expansie
Door de gestaag expanderende Boerenrepublieken in het noordoosten en de Duitse aanwezigheid in het noordwesten zagen de Britten de handelsroutes die vanaf de Kaapkolonie naar het hart
van zuidelijk Afrika leidden, bedreigd. Vooral het idee dat de Duitsers tot een vergelijk met de Boeren zouden komen en Bechuanaland onderling zouden verdelen, stond de Britten
bijzonder tegen. Ze reageerden met de inname van Bechuanaland in 1885. Het zuidelijk deel, tussen de Oranje en Molopo, werd een Britse kroonkolonie, het noordelijk deel, het huidige
Botswana, een Brits protectoraat. Beide gebieden werden bestuurd door Cecil Rhodes vanuit Mafeking, in het zuidelijk deel.
In 1886 werden in Transvaal op grote diepte enorme winbare voorraden goud gevonden. Dit had niet alleen een goldrush tot gevolg, maar zorgde er ook voor dat het economisch
hart van zuidelijk Afrika verschoof van de Kaapkolonie naar Transvaal. Johannesburg werd de snelst groeiende stad ter wereld, opnieuw stroomden immigranten in grote aantallen toe.
De Britten konden niet veel meer doen dan jaloers toekijken hoe de economie in Transvaal op volle toeren draaide. Al snel werd geopperd met omtrekkende beweging de gebieden ten noorden
van Limpopo in te nemen. Hoewel nooit bewezen, werd dit gebied geacht zeer rijk te zijn aan goud. Het was tenslotte niet onaannemelijk dat de enorme goudaders van Transvaal in
noordelijke richting zouden doorlopen.
Ten noorden van Limpopo leefden de Ndebele. Koning Lobengula heerste vanuit hoofdstad Bulawayo over Matabeleland, dat grofweg het huidige Zimbabwe, noordelijk Botswana en westelijk
Zambia omvatte. De British South Africa Company (BSAC) van Cecil Rhodes kreeg van Groot Brittannië toestemming het gebied dat werd aangeduid als Zambezië, onder Brits bestuur
te brengen. Voorwaarde was dat hij de slaven- en drankhandel zou bestrijden en de inheemse godsdiensten zou respecteren. In 1890 trok de BSAC Matabeleland binnen. Op een heuvel in
Mashonaland werd Fort Salisbury gesticht (het huidige Harare), waarmee het fundament was gelegd voor Rhodesië. De oorlog met de Ndebele duurde kort. Er werd slag geleverd bij
Bulawayo, waarbij 800 Ndebele sneuvelden tegen 3 Britten. Koning Lobengula vluchtte naar het noorden en pleegde zelfmoord.
De Britten waren nu zover noordwaarts doorgedrongen dat het ze in conflict bracht met de Portugezen. Rhodes werkte hard aan de verwezenlijking van zijn droom: een spoorweg van Kaapstad
naar Cairo over Brits koloniaal gebied. De Portugezen hadden hun eigen ambities: ze wilden Angola met Mozambique verbinden tot een groot Portugees koloniaal rijk van de Atlantische
Oceaan tot de Indische Oceaan. Maar de Portugezen waren lang niet zo machtig als de Britten. Oorlog voeren had dus geen zin en daarom werd het ongelijke gevecht aan de onderhandelingstafel
gevoerd. De Portugezen moesten genoegen nemen met een voor hen gunstige vaststelling van de oostgrens van Angola en de westgrens van Mozambique, waardoor hun koloniale bezit flink
toenam. Hun contra-costa droom moesten ze echter laten varen.
Rhodesië kreeg een enorme oppervlakte die overeenkwam met het grondgebied van de huidige staten Zambia en Zimbabwe. Het aangrenzende Nyasaland (het huidige Malawi) was al in Britse
handen en werd bestuurd door de African Lakes Company. Toen Rhodes bereid bleek de kosten te dragen voor het bestuur van Nyasaland, droeg de African Lakes Company Nyasaland graag aan
hem over. Londen stak daar echter een stokje voor. Het gebied werd een Brits protectoraat en tot grote spijt van Rhodes niet ingelijfd bij Rhodesië. Later zou Nyasaland met
Rhodesië een federatie vormen.
Hoewel Rhodesië nu gigantisch was (viermaal Groot Brittannië) beschikte het land niet over een verbinding met de zee. In het verdrag met de Portugezen werd wel bepaald dat
de BSAC de Zambezi mocht gebruiken voor transport naar de kust en dat Portugal een spoorlijn aan zou leggen van de havenplaats Beira naar het gebied van de compagnie. De BSAC probeerde
ook Noord-Bechuanaland onder haar gezag te plaatsen hetgeen, mede door verzet van de lokale bevolking die Brits bestuur prefereerde, eveneens mislukte. Wel kreeg Rhodes een strook land
in Bechuanaland in bezit waarover een spoorlijn van de Kaapprovincie door Bechuanaland naar Rhodesië mocht worden aangelegd.
Tweede Boerenoorlog (1899-1902)
Met de vaststelling van de grenzen van Rhodesië in 1891 was zuidelijk Afrika nu volledig tussen Britten, Boeren, Duitsers en Portugezen verdeeld. Expansie noordwaarts was niet
meer mogelijk door de activiteiten van België (in de Kongo Vrijstaat) en Duitsland (in Duits Oost-Afrika).
Rhodes, inmiddels premier van de Kaapkolonie, wilde dat de Boeren samen met de Kaapkolonie een federatie vormden, naar het voorbeeld van landen als Canada en Australië. Maar de
Boeren wilden hun soevereiniteit bewaren. Rhodes smeedde daarop een complot, de Jamesons Raid (1896), dat op een militaire mislukking uitdraaide die hem zelfs het premierschap
kostte. Rhodes stierf op 49 jarige leeftijd, nog voor dat de Tweede Boerenoorlog was afgelopen. Op eigen verzoek werd hij begraven op een van de heuvels van Matobo, bij Bulawayo: in
zijn ogen de mooiste plek ter wereld.
Zijn opvolger, Alfred Milner, was ook van mening dat Paul Kruger en de zijnen zich bij de Kaapkolonie moesten aansluiten. Waar de Britten in de Kaapkolonie bang voor waren, was de
toenemende invloed van Duitsland in Transvaal, door immigratie en behoorlijke investeringen in de goudindustrie en de steeds aanwezige Transvaalse behoefte aan een zeehaven. Het
verzwakte Portugal zou in Mozambique maar weinig weerstand kunnen bieden en de afstand van de oostgrens van Transvaal naar de Indische Oceaan bedroeg nog geen 100 kilometer. Een
zeehaven zou het toch al zo rijke Transvaal nog machtiger maken en de Kaapkolonie volledig gaan overvleugelen. De spanning tussen de Kaap en Transvaal liep op, waarbij de Oranje
Vrijstaat de zijde van Transvaal koos. In 1899 brak de Tweede Boerenoorlog uit. Hoewel de Boeren in de eerste weken van de oorlog grote successen boekten, dolven ze uiteindelijk het
onderspit. In 1900 namen de Britten Bloemfontein, Johannesburg en Pretoria in. De Boeren gaven zich echter niet gewonnen en begonnen een guerrillaoorlog tegen de Kaapkolonie. De
Britten leden hierdoor grote verliezen en zochten een uitweg in terreur: Boerendorpen werden platgebrand, vee in beslag genomen en een groot gedeelte van zowel de zwarte als blanke
bevolking in concentratiekampen gevangen gehouden. In 1902 gaven de Boeren zich na onderhandelen gewonnen. De onafhankelijkheid moest worden opgegeven, maar zelfbestuur zou blijven.
Groot Brittannië betaalde mee aan de wederopbouw van wat nu Boerenstaten waren. Engels en Nederlands werden de officiële talen. De uiteindelijke staatsvorm werd gevonden
in 1910 toen de Unie van Zuid Afrika werd gevormd.
Deling van Bechuanaland
Ook Zuid-Bechuanaland werd in de Unie van Zuid Afrika opgenomen. De Zuid Afrikaanse regering deed nog enkele vergeefse pogingen om ook Noord-Bechuanaland in de Unie op te nemen maar
zowel de Britse regering als de inwoners van Noord-Bechuanaland, onder leiding van Khama III, verzetten zich hiertegen. Merkwaardig genoeg werd (Noord-) Bechuanaland nog steeds vanuit
Mafeking, Zuid Afrika inmiddels, bestuurd. Gevolg van deze definitieve deling van Bechuanaland was dat de bevolking, de Batswana, nu voor een derde in Bechuanaland woonde en voor twee
derde in Zuid Afrika. Bechuanaland was niet bijster interessant voor de Britten. Het strategisch belang was afgenomen nu Transvaal onderdeel uit maakte van de Unie van Zuid Afrika. De
Duitse expansiedrift in Afrika bleek niet zo groot als verwacht. Anders dan Rhodesië trok Noord-Bechuanaland slechts een handjevol blanke immigranten. Er waren geen bodemschatten
aangetroffen en het land was te droog voor grootschalige commerciële landbouw. Groot Brittannië stelde zich op het standpunt dat de kolonie zelf voor de kosten van het
bestuur moest opdraaien. Er werd belasting ingevoerd waarvan de stamhoofden 10% mochten behouden. De belastingdruk tezamen met de slechte condities voor landbouw en de bevolkingsgroei
dwongen veel Batswana te gaan werken in de diamant- en goudmijnen in Zuid Afrika. De eerste decennia van de 20ste eeuw lieten een gestage verarming van Bechuanaland zien.
Rhodesië naar de 20ste eeuw
De blanke kolonisten die Rhodesië in de voetsporen van Rhodes binnentrokken, hadden gehoopt dat de goudaders van Transvaal zouden doorlopen tot in Rhodesië, maar al snel
bleek dit niet het geval. Er ontstond wel mijnbouwindustrie in het centrale hoogland, maar op aanmerkelijk minder grote schaal dan Rhodes zich had voorgesteld. De BSAC was geen
overheidsinstelling maar een particuliere onderneming met de bedoeling Rhodesië tot een bloeiende kolonie te maken. De BSAC verkocht grote stukken land aan kolonisten voor zeer
lage prijzen. Vooral Transvaalse Boeren kwamen op het land af, maar maakten een slechte start. Oogsten vielen tegen en veel blanken kwijnden weg. De zwarte bevolking werd
grotendeels van haar vee beroofd en naar de randen van Rhodesië verdrongen. Het groeiend verzet tegen de blanken mondde in 1896 uit in de First Chimurenga. Er werd een
aantal blanken gedood en een koloniale oorlog brak uit.
Rhodes wist met de opstandelingen tot een akkoord te komen door toezeggingen te doen op het gebied van salariëring, landbouw en belastingen. Het stak de blanken dat de zwarte
bevolking het eigenlijk best goed deed. Ze had meer ervaring in het bewerken van het land en de blanke gemeenschap vormde een goede afzetmarkt. De BSAC begon vanaf 1908 echter wetten
in te voeren die de zwarte bevolking op velerlei manieren benadeelden en uiteindelijk op de knieën dwong. Er werden belastingen geheven, prijsdiscriminatie voor landbouwproducten
toegepast en een systeem van subsidies en mogelijkheden tot het afsluiten van aantrekkelijke leningen voor de blanke boeren ingevoerd. De kolonisten vonden een uitweg uit de malaise
door het telen van exportgewassen als maïs, tabak en citrusfruit en het starten van grootschalige extensieve veehouderij. Het succes trok andere kolonisten aan. Telde Rhodesië
in 1904 slechts 300 blanke boerenbedrijven, in 1921 waren dat er 2400.
Ondergang van Deutch-Südwestafrika
Tot aan de eeuwwisseling hadden de Duitsers niet veel profijt gehad van hun kolonie Zuidwest Afrika. De landbouwopbrengsten waren gering en er braken bloedige oorlogen uit met de
Afrikaanse bevolking. In 1904 namen de Herero de wapens op tegen de Duitse bezetter. De paar maanden durende oorlog verliep zeer ongelijk. Waar de Herero vochten met speer en schild,
brachten de Duitsers mitrailleurs in stelling. Resultaat was dat 75.000 Herero werden gedood en de rest van het volk de Kalahari werd ingejaagd. De in opstand gekomen Nama verloren
ruim 10.000 mensen. Door deze oorlogen werd het aantal Afrikaanse inwoners van Duits Zuidwest Afrika gehalveerd. Het vrijgekomen land werd grotendeels door Duitse boeren ingenomen.
In 1910 werd bij Lüderitz diamant gevonden. Al snel bleek dat het om grote hoeveelheden ging en de Duitsers verklaarden het gehele gebied tussen Lüderitz en de Oranjerivier
tot verboden terrein. De exclusieve rechten voor het winnen van diamanten werd gegeven aan de Deutsche Diamant Gesellschaft. Dit verschafte de kolonie een zekere dynamiek. De Herero
en Nama werden van hun vruchtbare landbouwgronden in het centraal bergland verdreven naar de randen van de Kalahari en de Namib. Ook nu weer werd het vrijgekomen gebied in bezit
genomen door Duitse boeren. Maar niet voor lang, want bij het uitbreken van WO I viel Zuid Afrika op aandringen van Groot Brittannië de Duitse kolonie binnen. In 1915 werd het
Duitse koloniale leger bij Tsumeb definitief verslagen en werd een Brits koloniaal bestuur in Windhoek opgezet.
Hiermee waren de grenzen in zuidelijk Afrika definitief getrokken, tenminste zolang de koloniale tijd voortduurde. Na WO II zou de bevolking van zowel Bechuanaland, Rhodesië en
Zuidwest Afrika in opstand komen tegen de blanke overheersing. Hoewel de onafhankelijkheid van het toen straatarme Botswana redelijk in de pas liep met de rest van de wereld, waren
de belangen van de blanke kolonisten in de andere landen van zuidelijk Afrika dermate groot dat het zeer lang heeft geduurd voordat ook Zimbabwe (1980), Namibië (1990) en Zuid
Afrika (1994) zich van het juk van de blanke minderheid wisten te bevrijden.
Bron: Dominicus "Zimbabwe/Botswana/Namibië" (2006), "Verdeel & heers" door H. Wesseling (2003). |