ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
  De ranonkelfamilie omvat wereldwijd 1300 tot 2000 soorten, waarvan de meeste in de gematigde zone op het noordelijk halfrond voorkomen. In Europa komen er ongeveer 310 soorten voor. 

De boterbloem, het geslacht Ranunculus, behoort tot de ranonkelfamilie Ranunculaceae en omvat ongeveer 400 soorten. Kenmerkend voor alle boterbloemsoorten is de bouw van de bloem, die meestal bestaat uit vijf kroonblaadjes en vijf kelkblaadjes. De soorten hebben bijna allemaal een groene kelk en een gekleurde bloemkroon. De bloemkroonblaadjes bestaan uit een plaat en een nagel, waarop zich een honinggroef bevindt.
De Nederlandse boterbloemen kunnen we grofweg in twee groepen verdelen, de "eigenlijke" boterbloemen en de waterranonkels. De eigenlijke boterbloemen zijn landplanten, die in Nederland allemaal boterachtig glanzende gele bloemen dragen. Deze boterbloemen zijn zo kenmerkend voor onze grazige vegetaties, dat vrijwel iedere Nederlander ze kent. Binnen de op het land groeiende boterbloemen vormt het speenkruid (R. ficaria) een afwijkende soort, omdat hij bloemen met meer dan vijf bloemdelen bevat. Bij alle boterbloemsoorten op het land vinden we een bladrozet met grote bladeren en een bloeistengel, waaraan nog wat kleine bladeren zitten. Deze bladeren zijn vaak handvormig ingesneden of handvormig samengesteld. De bladsteel heeft meestal een hartvormige bladschede.
De waterranonkels (ook wel apart genomen onder de naam Batrachium) hebben bloemen, waarvan de plaat wit is en de nagel geelachtig wit. Ook bij deze waterranonkels vinden we twee typen bladeren. Er zijn bladeren, die op het water drijven. Deze zijn gelobd of gedeeld. Daarnaast zijn er ondergedoken bladeren, die uit gevorkte draadvormige slippen bestaan. Omdat de verschillende waterranonkelsoorten een grote variatie vertonen en er overgangen bestaan tussen de soorten, is het voor een amateur vaak moeilijk ze op naam te brengen
Veel planten uit de Ranunculaceae zijn giftig; hun plantedelen bevatten het alkaloïde berberine. Boterbloemen worden niet gegeten door koeien of schapen. In droge vorm (in het hooi) vormen deze planten geen probleem meer voor het vee.
Bron: www.botaniewebsite.nl (april 2011).

In Mount Cook National Park komen verschillende soorten boterbloemen voor waaronder de Mount Cook lily (Ranunculus lyalli), de grootste boterbloem van de wereld. Deze boterbloem wordt ook wel Mountain buttercup of Mount Cook buttercup genoemd en komt alleen in Nieuw Zeeland op het Zuidereiland en Stewart Island voor, op een hoogte van 700 tot 1500 meter. Het is een kruidachtige vaste plant die 60 tot 100 centimeter hoog kan worden en een stevige wortelstok heeft. De bladeren zijn glanzend donkergroen, schildvormig met een diameter van 15 tot 40 centimeter. De bloemen hebben een diameter van  5 tot 8 centimeter, 10 tot 20 witte bloemblaadjes en talrijke gele meeldraden. De bloei is vanaf het einde van het voorjaar tot in de vroege zomer.

In IJsland is de dotterbloem (Caltha palustris) typisch een plant van de laaglanden. Deze plant groeit op vochtige/natte plekken zoals langs rivieren en in venen maar ook wel langs wegkanten (vooral slootranden). Het is een opvallende plant die echter slecht tegen zout kan en ontbreekt langs kuststroken waar zilte zeewaterspray’s voorkomen. Voor de IJslandse boeren zijn de bloeiende dotterbloemen het teken dat de lente werkelijk is gearriveerd.

Foto's van links naar rechts: Mount Cook lily, dotterbloem, Nederlandse boterbloem.