Cabbage trees
externe links:
- hopper
- fytoplasma
De cabbage tree (Cordyline australis) is een van de meest opvallende bomen in het landschap van Nieuw Zeeland. Deze boom komt in het hele land voor maar heeft een voorkeur voor natte, open gebieden zoals moerassen. Aan het begin van de zomer heeft de cabbage tree prachtig geurende bloemen, die veranderen in blauw-witte bessen die vogels graag eten. De boom wordt 12 tot 20 meter hoog en heeft lange smalle bladeren die tot een meter lang kunnen worden. Naarmate de boom ouder wordt, kunnen de stengels afsterven: nieuwe scheuten groeien vanuit alle delen van de stam. De schors is dik en taai als kurk. De boom is met een enorme vlezige penwortel stevig in de grond verankert.
Er komen in Nieuw Zeeland nog 4 andere soorten cabbage tree voor: C. obtecta  en C. indivisa komen alleen voor op een aantal eilanden. C. banksii is op het gehele Noordereiland aan te treffen en in het noorden van het Zuidereiland (tot aan Canterbury in het oosten en Haast in het westen). Bij C. pumilio ontbreekt meestal een stam. Deze soort is vaak aan te treffen in Kauri bos.
De stam van de cabbage tree is zo brandwerend dat de vroege Europese kolonisten deze gebruikten om schoorstenen voor hun hutten te maken. Handig was ook dat de bladeren goed aanmaakhout waren. Verder werd de wortel gebruikt om brier te brouwen. Māori gebruikten deze boom als voedsel en voor vezels en geneeskunde. De wortel , stengel en de bovenkant zijn allemaal eetbaar, een goede bron van zetmeel en suiker. De vezel wordt gescheiden door lang koken of breken vóór het koken. De bladeren werden verwerkt in manden, sandalen, touw, regenjassen en andere items en werden ook verwerkt in thee om diarree en dysenterie te genezen. Omdat deze boom over het algemeen een lange levensduur heeft, werd deze ook geplant om paden, grenzen, urupā (begraafplaatsen) en geboortes te markeren.
De cabbage tree is endemisch in Nieuw Zeeland en is elders, o.a. in Europa en de VS,  een zeer populaire gecultiveerde plant. In het Verenigd Koninkrijk zijn ze bekend als Torquay palm. De cabbage tree groeit goed op kale grond en onbeschutte plekken. Het sterke wortelgestel helpt bodemerosie op steile hellingen te stoppen en omdat de boom natte grond tolereert, is het een nuttig plant op oevers.

In 1987 gingen er ineens cabbage trees dood als gevolg van een mysterieuze ziekte. Na bijna vijf jaar onderzoek vonden de wetenschappers de oorzaak: een parasitair organisme, een fytoplasma. Men denkt dat deze van boom naar boom wordt verspreid door een klein sapzuigende insect, de geïntroduceerde passion vine hopper. Het fytoplasma is afkomstig uit Nieuw Zeelands vlas en veroorzaakte begin vorige eeuw massale epidemieën in vlas waarbij  de eens zo omvangrijke vlasmoerassen van Manawatu werden vernietigd. De ziekte heeft een belangrijke rol gespeeld in de uiteindelijke ineenstorting van de eens bloeiende vlasvezelindustrie in Nieuw Zeeland.
Hoewel de cabbage tree wijdverspreid is en overvloedig voorkomt, is de populatie in sommige delen van Nieuw Zeeland gedecimeerd als gevolg van het fytoplasma. In sommige gebieden, vooral in het noorden, zijn er geen grote bomen meer over. Bomen die door deze ziekte worden getroffen, verwelken plotseling en snel; de bladeren die afvallen zijn nog groen. Geïnfecteerde cabbage trees sterven meestal binnen 3 tot 12 maanden. Hoewel vaak bomen op landbouwgrond en in open gebieden worden getroffen, blijken exemplaren in bossen het goed blijven doen.

Bron tekst: website DOC (mei 2014).