Orchidee
  Orchideeën kunnen bijna overal worden aangetroffen, zelfs op 3.000 meter hoogte in het Himalaya-gebergte. Wereldwijd komen er zo’n 25.000 tot 30.000 soorten voor waarvan naar schatting 90% in de tropen groeit. Europa komt er met 200 soorten wilde orchideeën relatief bekaaid af. In Nederland en België komen zo’n 40 soorten voor.
De orchidee dankt haar naam aan het Griekse woord orchis, dat testikel betekent: een deel van de orchideeën heeft namelijk knollen die op zaadballen lijken. Omdat men vroeger dacht dat het uiterlijk van een plant het gebruik duidde, gebruikten mannen de knollen wel om “meer mans te worden’. Ook op andere manieren zijn orchideeën nuttig. Schoenmakers in Guyana gebruikten ze als lijmstof, in Sumatra werden er borden mee gewist en nog steeds gebruiken we vanillestokjes, afkomstig van de gedroogde zaaddoos van de Vanilla planifolia die oorspronkelijk in Midden Amerika groeit.
Bij een orchideeën denken velen aan kleurrijke, groot en opvallende bloemen. Maar wilde orchideeën zijn vaak heel wat bescheidener. Toch is het mogelijk om een onopvallende orchidee van een “gewone plant” te onderscheiden. Zo zijn de bloemen altijd maar in één richting symmetrisch, zit het stuifmeel altijd in klompjes en zijn de zaadjes stoffijn. De Europese orchideeën hebben een zogeheten terrestrische groeiwijze, ze groeien in aarde. Maar in de tropen groeien de meeste orchideeën op een boom of andere plant. Een klein aantal orchideeën groeit op rotsen of in rottende planten.
De meeste orchideeën zijn voor hun bestuiving afhankelijk van insecten. En juist hierbij blijkt de orchidee een kampioen in vernuft. Normaliter bezoekt een insect een bloem omdat deze hem nectar, dus voeding geven kan. Meestal neemt het insect “per ongeluk” wat stuifmeel mee dat hij bij zin bezoek aan een volgende bloem weer “per ongeluk” achterlaat. Een derde van de orchideeën produceert echter helemaal geen nectar. Om toch insecten te lokken zijn er verschillende trucs. Een deel van de orchideeën ruikt alsof ze nectar in de aanbieding heeft, maar heeft dat in werkelijkheid niet. Insecten kunnen wel degelijk leren en dus zien de bloemen er niet allemaal hetzelfde uit. Op die manier kan het insect steeds opnieuw worden bedot. Weer andere orchideeën bootsen bloemen na de wél nectar produceren.
De mooiste truc is het “net doen alsof je een insect bent” (mimicry). De hommelorchis, bijenorchis en vliegenorchis hebben bloemen die lijken op vrouwelijke insecten. De mannen proberen te paren, raken bedekt met stuifmeel en vliegen naar de volgende bloem. En om nóg aantrekkelijker te zijn voor de mannelijke bijen, hommels en wespen verspreidt een aantal soorten de geuren die gelijk zijn aan de lokstoffen die de vrouwelijke insecten verspreiden. En dan zijn er, vooral in de tropen, orchideeën die een lijkenlucht verspreiden of op bloedend vlees lijken om zo vliegen en kevers aan te trekken. Als de plant wordt bevrucht, produceert één enkele orchidee een grote hoeveelheid stoffijne zaden die met de wind wordt meegenomen. Het merendeel daarvan komt echter niet uit; orchideeën hebben namelijk bepaalde schimmels nodig voor hun voedselvoorziening. Stiekem een orchidee uitgraven om deze in eigen tuin te zetten is daarmee niet allen verboden (en schadelijk voor de natuur) maar ook nutteloos.
Bron tekst: Natuurlijk, voorjaar 2010.