wilgenfamilie (Salicaceae)
externe links:
- wilgenhoutrups 1
- wilgenhoutrups 2
- Wilgenbos
- aspirine
Wilg (Salix)
Wilgen zijn pioniersoorten met een grote lichtbehoefte. Ze zijn tweehuizig. De bloem van de wilg heeft de vorm van een katje en groeit uit de zijknoppen van een éénjarige twijg. De wilgenkatjes zitten of staan, dit in tegenstelling tot populieren die hangende katjes hebben. De pluizige zaden worden door de wind verspreid maar zijn slechts korte tijd kiemkrachtig. De meeste soorten zijn te vermenigvuldigen door middel van stekken.

Een geknotte wilg is een monument
Bij de verkiezing van de meest karakteristieke Nederlandse boom zou de knotwil hoog scoren. Natuurmonumenten wil ze in goede conditie houden. Dat betekent dat ze om de drie tot vijf jaar geknot moeten worden. De kroon van de knotwilg is deels ontstaan door menselijk ingrijpen. Als hij eenmaal geknot is dan moet je dat zijn hele leven voortzetten. Als je dat niet doet, lopen de takken te ver uit en kan de boom gaan scheuren. Dan valt hij om.
Knotwilgen worden maar zo'n vijftig tot zestig jaar. Je moet dus steeds bijplanten om het landschap zo te houden. Dat kan bijvoorbeeld door een afgezaagde staak in de grond te steken. Die schiet zo weer uit. De wilg is een echte mini-biotoop; een leefgemeenschap van plant en dier. Door het knotten wordt de top breed en grillig. Tussen de stompen verteren bladeren tot humus. Daar kiemen weer planten in, zoals de lijsterbes. De humus zit vol insekten, waar allerlei vogels op afkomen. Steenuilen broeden in de holtes van de oude stammen, waar ook wel vleermuizen kunnen vertoeven.
Uit: Natuurbehoud nr. 4, winter 2008, Natuurmonumenten.

Bereidwillige boom
In 1871 werd van het laatste Nederlandse oerbos, het Beekbergerwoud, weiland gemaakt. Bijna op de kop af een eeuw later ontsproot spontaan weer een nieuw Nederlands oerbos. Dat gebeurde in Flevoland, dat in die tijd net droog was gevallen. Het waren wilgen die hun zaad lieten landen op een drassig stukje land en er een spannend bos van maakten. Overal op het nieuwe land werden bomen geplant, maar op deze plek ontkiemden de zaden van wilde wilgen van allerlei soort. De plek is tegenwoordig bekend en geroemd als het Wilgenbos: honderd hectare wildernis bij Almere-Buiten, grenzend aan twee watertjes, waar bevers en ijsvogels huizen.
Dat dit bos daar kwam te groeien, was een uitzonderlijk toeval. Het pluizige wilgenzaad, dat in de lente soms als een sneeuwbui door de wind wordt uitgestrooid over het land, kan alleen onder heel bepaalde omstandigheden succesvol ontkiemen. De grond waarop het landt, moet onbegroeid en nat zijn. En een tijdje nat blijven. Veel wilgenzaad ontkiemt wel her en der, maar verdroogt daarna al gauw. En wilgenzaadblijft maar even kiemkrachtig, hooguit twee etmalen. Als het niet onmiddellijk in goede aarde valt, is het verloren. Dat maakte het Wilgenbos uniek.
Voor de rest is de wilg helemaal geen moeilijke boom. Zo gaat het bekende boerengrapje: de wilg is willig. Je steekt maar een tak in de poldergrond en het wordt een boom. En daar kon een boer allerlei nuttige dingen mee doen. Knotwilgen leverden zelfs takjes waarop je kon kauwen tegen de hoofdpijn na een avondje stappen in Het Springende Paard. Want daarin zit salicine, zo genoemd naar de Salix = wilg, weet iedere apothekersleerling.
Boomkenners worden wel eens tureluurs van wilgen. Ze zijn er in ongeveer driehonderd, vaak onduidelijke, soorten die er onderling lustig op los kruisen. In Nederland worden er ongeveer twaalf duidelijk onderscheiden. Griendwerkers kennen hun wilgen en oogsten hun takken, tenen en twijgen voor verschillende klanten, van dijkwerkers tot bloemisten. En wie wil voelen hoe bont de verscheidenheid is in zo'n wilgenboomgaard, moet maar eens gaan wandelen in de Grienden van Rhoon. Een bizarre ervaring.
(Knot)wilgen zijn niet alleen nuttig, ze leveren belangrijke bijdragen aan de Nederlandse natuur. Als nestbomen voor steenuiltjes: als mega stuifmeelleveranciers in de katjestijd aan de vroegste voorjaarsinsecten; en als geboortehuis voor een van 's lands grootste nachtvlinders, de vlinder van de wilgenhoutrups. Die rups is monsterlijk en schadelijk, want stinkt en vreet de boom op. Maar de vlinder is een vliegend juweel. Gemaakt van wilgenhout.
Uit: Roots, maart 2016.

De wollige wilg (S. lanata) is een in IJsland algemeen voorkomend struikje dat daar in allerlei vochtige, woeste gebieden aan te treffen is. Deze wilg is niet altijd gemakkelijk te onderscheiden van de blauwe wilg. In het voorjaar is dat wel makkelijk omdat de bloeiwijze sterk verschillen. Later in de zomer verliest de wollige wilg veel beharing van de bovenkant van de bladeren. Dan is de beharing van de twijgjes kenmerkend voor deze wilg.