Frankrijk: Leer van de Katharen
naar:
Katharen
De katharen baseerden hun leer op alleen het Nieuwe Testament. Het Oude Testament en kerkelijke dogma’s verwierpen ze, evenals het aanbidden van heiligenbeelden, de verering van kruizen, wonderen en relikwieën. De katharen bouwden geen religieuze gebouwen.
De kathaarse leer kende twee principes: het Goede, de eeuwige God, en het Kwaad, belichaamd door de vergankelijke, materiële wereld. De ziel hoort tot het Goede, maar sommige zielen worden aangetrokken door de materiële wereld. Door geboorte komt de ziel terecht in een werelds huis, het lichaam, dat afkomstig is van het Kwaad. Na zijn dood gaat de ziel weer op zoek naar zijn geest, die in de hemel is achtergebleven. Totdat hij hem teruggevonden heeft, wordt de ziel telkens weer geboren in een ander menselijk of dierlijk lichaam.
De katharen kennen slechts één sacrament, de doop door handoplegging, omdat dat het enige sacrament is dat ook door Christus uitgevoerd is. De kathaarse doop (consolament) was een manier om de geest en de ziel weer te verenigen. Degenen die jong gedoopt waren, konden perfecti (parfaits, “perfecten”) worden. Ze moesten dan kuis leven, om geen nieuwe lichamen te maken die ronddolende zielen zouden gaan bevatten, en mochten geen vlees eten (elk dier huisvest immers een ziel), mochten niet de eed afleggen, niet liegen, niet doden, geen oorlog voeren en niet betrokken worden bij de rechtspraak. De prediking van de perfecti was een succes. Door hun levenswijze van armoe, kuisheid, vasten en hard werken inspireerden ze de massa en kregen ze aanhangers onder alle lagen van de bevolking, niet in de minst onder de lokale adel. Het katharisme werd een echt geloof.
Occitanië werd in de 12de eeuw, zeker vergeleken bij Noord Frankrijk, gekenmerkt door een klimaat van openheid en vrijheid. Centraal daarbij stond het begrip paratge, dat er van uit gaat dat mensen uit verschillende sociale klassen, mannen en vrouwen, geestelijk (niet juridisch) gezien evenveel waarde hebben. De streek kende ook geen lijfeigenschap. In dit deel van Frankrijk leefden de heren niet geïsoleerd van de rest van de bevolking, maar woonden midden in de versterkte dorpen.
Teksten van de Languedoc-Rossillon zijn grotendeels afkomstig uit: "Languedoc, Cevennen & Tarn", Dominicus, 2008.