| Frankrijk: katharen | |||||||||||
| - Aguilar - Carcassonne - Peyrepertuse - Quéribus katharenleer Frankrijk |
In de 12de en 13de eeuw stelden de lokale bestuurders in Zuid Frankrijk, in het bijzonder de graven van Toulouse, zich tamelijk onafhankelijk op van de Franse koning. Het was een bloeiperiode van de Occitaanse cultuur; het was de tijd van de hoofse liefde en de troubadours. Deze beschaving kwam ten val door de Albigenzenkruistocht. Die begon als een strijd tegen religieuze ketterij, het katharisme, maar mondde uit in de overname van de Languedoc door het noorden van Frankrijk. Overal in Europa was men op zoek naar de puurheid van het geloof en groeide de afkeer tegen de officiële Kerk. Het katharisme was een van die tegenbewegingen. In het Rijnland, ten westen van Keulen, werd melding gemaakt van de eerste kathaarse bisschoppen, tussen 1135 en 1143. In Frankrijk verschenen de eerste kathaarse gemeenschappen in de Champagne en in Bourgondië. Ook in Italië werden aan het einde van de 12de eeuw kathaarse bisdommen gesticht, onder andere in Lombardije en Toscane. In West Europa was het katharisme het sterkst in Occitanië. Tegen het einde van de 12de eeuw had het katharisme zich stevig genesteld rond de steden Albi, Toulouse, Montauban, Castelnaudary, Agen, Castres, Limoux, Carcassonne, Pamiers en Béziers. Een groot deel van de adel, waaronder de graaf van Toulouse, de graaf van Foix en de graaf van Carcassone, werd kathaar of stond in ieder geval sympathiek tegenover het katharisme. De machtigen van de streek waren niet blij met het feit dat de Katholieke Kerk ook wereldlijke macht nastreefde. De opstelling tegenover de Katholieke Kerk, zoals de weigering tienden (belasting) te betalen en de vordering van kerkelijke goederen, vormde belangrijke oorzaken van het succes van het nieuwe geloof. Vervolgde katharen vonden bescherming op adellijke domeinen en in de versterkte kastelen. De leer was waarschijnlijk niet het grootste probleem voor de Kerk. Erger was dat de katharen de autoriteit van Rome niet erkenden en weigerden geld te geven aan de Kerk. De eerste poging het succes van het nieuwe geloof in te dammen was nog zachtzinnig. In 1145 werd een groot prediker, Bernard de Clairvaux, ingezet om alle verloren schaapjes weer bij de moederkerk te krijgen. Innocentius III, paus van 1198 tot 1216, veroordeelde de dwaalleer krachtig en stelde alles in het werk om het katharisme uit te roeien. Hij zuiverde het Occitaanse episcopaat en benoemde Pierre de Castlenau en broeder Raoul tot zijn vertegenwoordigers in de Languedoc. Deze diepgelovige priesters voerden tussen 1203 en 1208 een campagne tegen de katharen. Daarbij werden ze geholpen door de Spanjaard Dominique Guzman (de heilige Dominicus), die het voorbeeld van armoe, eenvoud en liefdadigheid gaf. Hoewel de prediking tamelijk succesvol verliep, constateerde de paus dat de situatie nog steeds verslechterde. De moord op Pierre de Castlenau in 1208 was voor hem de aanleiding nog strengere maatregelen te nemen.
kruistocht De paus kreeg uiteindelijk de medewerking van de Franse koning en riep in 1209 op tot de kruistocht tegen de Albigenzen. Kruisvaarders werd het land beloofd van de ketters die ze ombrachten en voor elke misdaad schonk de paus bij voorbaat vergiffenis. Aanvankelijk staat het leger onder opperbevel van Arnaud Amaury, abt van de abdij van Citaux. Onder zijn leiding vond in Béziers de eerste echte afslachting tijdens de kruistocht tegen de Katharen plaats. In juli 1209 begon de belegering van wat toen de belangrijkste stad was van het burggraafschap van de Trencavels, waartoe onder andere ook Carcassonne behoorde. De volledige bevolking van Béziers (20.000) werd gedood na de overgave van de stad op 22 juli 1209. Er werd daarbij geen onderscheid gemaakt tussen katharen en katholieken; ze werden allen gedood met de gedachte dat God de Zijnen wel zou herkennen en behoeden. Béziers was destijds niet bijzonder kathaars, maar de inquisitie wilde een voorbeeld stellen. Een jaar na de het drama in Béziers werden 140 Katharen levend verbrand in Minerve. Later, nadat andere edelen uit het kruisvaardersleger geweigerd hadden, nam Simon de Montfort, een lage edelman uit Noord-Frankrijk, de militaire leiding op zich. Met Simon de Montfort werd de kruistocht een echte veroveringsoorlog en werd de inbreng van de Kerk naar het tweede plan verschoven. De godsdienstkwestie verdween hiermee naar de achtergrond. In juni 1215 veroverde Simon de Montfort Toulouse en kon hij zich meester van Zuid-Frankrijk noemen. In november 1215 bevestigde het Vierde Lateraans Concilie de overwinning van de Montfort; hij kreeg de titel van graaf van Toulouse. Hij sneuvelde echter in 1217. De verdreven edelen kwamen op aansporen van Raymond VII, de zoon van de verdreven graaf Raymond VI van Toulouse, in opstand en verdreven de kruisvaarders in 1223. Op 15 januari 1224 verliet Amaury de Montfort, zoon van Simon de Montfort, met de laatste kruisvaarders Carcassonne. In 1226 riep Lodewijk VIII echter op tot een nieuwe kruistocht. Omdat ze genoeg hadden van de oorlog, gaven de meeste zuidelijke steden zich snel over aan de overmacht van het koninklijke leger, In 1229 moest zelfs de graaf van Toulouse het opgeven en tekende hij het Verdrag van Meaux. schuilplaatsen De “dwaalleer” was nog niet definitief gebroken: in afgelegen streken vonden katharen nog schuilplaatsen. Het kasteel van Montségur was een toevluchtsoord voor belangrijke katharen. Het kasteel werd in 1244, tijdens de derde kruistocht tegen de Katharen, tot overgave gedwongen en ruim 200 Katharen werden verbrand op de brandstapel. Hoewel Monségur vaak als het laatste bolwerk van de Katharen wordt voorgesteld, was het dat niet. Pas meer dan 10 jaar later, in 1255, valt het echte laatste katharenkasteel: Quéribus. Het Katharisme gaat ondergronds na de val van Montségur en als nieuw strijdmiddel tegen de Katharen wordt door de Rooms-katholieke Kerk de inquisitie opgericht. De inquisitie gebruikte alle mogelijke middelen om een einde aan de dwaalleer te maken. Na 1252 werd de ondervragingsmethode uitgebreid met lichamelijke folteringen. Geestelijke folteringen was altijd de belangrijkste onderzoeksmethode geweest. De beste manier om aan de beschuldiging van ketterij te ontsnappen was door anderen aan te wijzen. Zo riep de ene inquisitieronde de andere op. De grootste ketters werden op de brandstapel gezet en als ze al dood waren, werden hun lijken opgegraven en alsnog verbrand. De meeste ketters verdwenen in de gevangenis. Voor kleinere ketters volstond het een geel kruis op de kleren aan te brengen om zo te schande te lopen. opleving Aan het begin van de 14de eeuw vond er vooral in de Arriège een spectaculaire opleving plaats van het katharisme, begonnen door de prediking van de uit Axles-Thermes afkomstige notaris Pierre Autier. De kerk zette in de personen van Geoffroy d’Ablis, Bernard Gui en Jacques Fournier alles op alles om de ketterij nu definitief uit te roeien. In 1309 werd Pierre Autier verraden en overgedragen aan de inquisitie. Net voordat hij in 1311 in Toulouse op de brandstapel gezet werd, zij hij nog dat als ze hem hadden laten preken, hij alle toeschouwers had bekeerd tot het katharisme. In 1340 werden de laatste ketters in Carcassonne verbrand en daarmee was het katharisme verdwenen. Teksten van de Languedoc-Rossillon zijn grotendeels afkomstig uit: "Languedoc, Cevennen & Tarn", Dominicus, 2008. |