| Megalieten | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| België: - Wéris Denemarken: - diversen Duitsland: - Großsteingraben Engeland: - Avebury - Stonehenge - West Kennet Barrow Frankrijk: Bretagne - Carnac - diversen Corsica - Filitosa - Mégalithes de Cauria Nederland: - hunebedden - megalithic routes - A. v. Giffen - hunebedden 1 - hunebedden 2 - hunebedden 3 - Klokbekercultuur - megalieten - Megalith Map - Trechterbekercultuur |
Megalieten zijn stenen monumenten (Grieks mega = groot, lithos = steen) die wereldwijd voorkomen en waarvan een groot deel stamt uit het Neolithicum (nieuwe steentijd). Er waren meerdere culturen die met grote stenen bouwden, dus een megalithische cultuur heeft nooit bestaan. Sommige structuren dienden als graf en andere hadden een rituele of, zoals Stonehenge, astronomische betekenis. In het noordelijke gebied zijn megalithische monumenten veelal van zwerfkeien gemaakt. In zuidelijker gebieden werd vaak kalk of zandsteen gebruikt, dat zich makkelijker laat bewerken en werden de delen in steengroeven uit de rotsen gehouwen. Voor Stonehenge is het materiaal gedeeltelijk over lange afstand aangevoerd en komt waarschijnlijk ook uit een groeve. Andere delen van Stonehenge bestaan uit lokaal materiaal. Nederland Hunebedden zijn de restanten van stenen grafkelders van de Trechterbekercultuur (TRB). Dit volk is vernoemd naar de vorm van het meest voorkomende type aardewerk dat in de hunebedden werd aangetroffen. De naam trechterbekercultuur is een verzamelnaam voor een groot aantal met elkaar verwante gemeenschappen dat in het Neolithicum (nieuwe steentijd) in noordelijk Europa (zuidelijk Scandinavië en vanaf Nederland tot aan de huidige Oekraïne) woonde. De zwerfkeien die voor de bouw van de hunebedden werden gebruikt, zijn afkomstig uit Finland en het zuiden van Zweden. Gletsjers hebben ze tijdens de ijstijd van ongeveer 150.000 jaar gelden, naar Nederland vervoert. Een hunebed bestond uit een dubbele rij van rechtopstaande draagstenen met daar op een dak van dekstenen en aan beide uiteinde een sluitsteen. Aan de zonzijde bevond zich in het midden een toegangspoort die bestond uit 2 (portaalgraf) of 4 (ganggraf) poortdraagstenen, afgedekt door een poortdeksteen. De ruimten tussen de grote draag- en dekstenen werden met stopstenen opgevuld en de basis aan de buitenkant met steenpakking versterkt. Het geheel werd bedekt met zand en gras. De hunebedden werden gebouwd tussen 3400 en 3200 v. Chr. en werden tot 2850 v. Chr. gebruikt; daarna kwam er een einde aan de Trechterbekercultuur. Vermoedelijk waren er in vroeger tijden meer dan honderd hunebedden in Nederland maar tegenwoordig zijn er nog 54: 52 in Drenthe en 2 in Groningen, waarvan er 1 in een museum in Delfzijl staat. Geen enkel hunebed is nog compleet. Vaak ontbreken één of meerder dek- en draagstenen en meestal de poortstenen; stop- en pakstenen zijn er niet meer. Al vanaf de Middeleeuwen verdwenen de stenen voor gebruik elders en werden hunebedden gewoon vernield. In 1870 kocht de overheid (regering én provincie) op één na alle hunebedden. Archeoloog Albert Egges van Gissen had in de vorige eeuw een belangrijke rol in de bestudering en restauratie van de hunebedden. Hij bracht alle nog bestaande hunebedden in kaart en verrichtte bij meerdere daarvan bodemonderzoek. In 1928 publiceerde hij hierover een boek dat nog steeds als standaardwerk wordt beschouwd. Zonder zijn inspanningen zou waarschijnlijk een groot deel van de nu aanwezige hunebedden niet meer hebben bestaan. Naast onderzoek heeft hij veel ingestorte en deels vernielde hunebedden gerestaureerd. De hunebedden zijn tegenwoordig in beheer bij Staatsbosbeheer en de Stichting Het Drentse Landschap. In bijna alle hunebedden werden grote hoeveelheden aardewerk en andere voorwerpen gevonden. Het aardewerk bestaat uit sterk versierde platte schalen, kommen, grote potten, bekers en flesjes. De versieringen bestonden uit diep ingedrukte ornamenten. Ook wapens worden veelvuldig aangetroffen zoals hamers en bijlen en verder pijlpunten, messen en krabbers van vuursteen. Er worden heel weinig menselijke resten gevonden en dit wijt men aan de zure bodemgesteldheid in Nederland: skeletten kunnen er volledig in vergaan. Lijfsieraden zijn ook weinig gevonden. Bron: Wikipedia & www.hunebedden.nl (september 2012).
Frankrijk - Bretagne De prehistorische bewoners van Bretagne hebben een groot aantal megalieten nagelaten. Deze stenen structuren zijn ook elders in Europa te bewonderen, maar in Bretagne zijn het er wel héél erg veel. Er zijn meerdere theorieën over de functie van de megalieten en ook rijst de vraag hoe de eerste Bretonse bewoners er in geslaagd zijn de vele tonnen zware stenen te verplaatsen en in een verticale stand overeind te zetten. Veel stenen zijn in de loop der eeuwen omgevallen en in de grond gezakt. De megalithische constructies worden naar vorm en (vermoedelijke) functie onderverdeeld. Een menhir is een in verticale stand opgerichte en in enkele gevallen enigszins bewerkte steen. Meestal staan de menhirs alleen of in groepjes van twee of drie stenen. Vermoedelijk is aan de menhir magische kracht toegedacht. Ze zijn vaak te vinden bij grafmonumenten en worden dan menhirs indicateurs genoemd (wegwijzers), de menhir bij de dolmen van Kercado (Carnac) is daar een voorbeeld van. Ook bij het samenkomen van twee rivieren of op kapen zijn ze opgesteld. Of in lange rijen gegroepeerd, zoals bij Carnac en Camaret-sur-Mer. Het materiaal van een menhir is vaak graniet, uit een stuk rots losgemaakt. Hoogstwaarschijnlijk werden vuur en water gebruikt om een menhir uit het graniet los te splijten; de afwisseling van koud en warm deed de steen barsten. Een kleine menhir wordt lech genoemd. Deze menhirs zijn vaak versierd met ornamenten of sierlijsten en lijken daardoor op modellen van Griekse zuilen. Door de geringe omvang staan er nog maar weinig op hun authentieke plek. Ook de grote menhirs werden later wel bewerkt. Nadat het christendom in Bretagne zijn intrede had gedaan, werden diverse menhirs met kruisen of andere christelijke symbolen versierd. Een aantal menhirs in een rij heet een alignement. De ruimte tussen de stenen varieert, maar bedraagt vaak enkele meters. De menhirs in groepen zijn vaak kleiner dan de alleenstaande exemplaren. In Bretagne bevinden zich o.a. ten noorden van Carnac, noordelijk van Redon én noordwestelijk van Rennes alignements. Ook buiten Bretagne komen steenrijen voor maar die in Bretagne zijn, met name de duizenden stenen samengebracht in Carnac, erg bijzonder. Vermoedelijk hadden alignements een religieus doel. Als graven hebben ze hoogstwaarschijnlijk nooit gediend. De stenen worden wel gezien als een astrologisch/astronomische kalender, waar dan de assen van de rijen de banen van planeten en wellicht sterren zouden volgen. Gebogen en hoekige varianten van de alignement zijn de cromlech (cirkel) en de quadrilatère (vierkant of vierhoek). In het neolithicum bestonden megalithische begraafplaatsen uit min of meer ovale of veel hoekige ophogingen, heuvels die nu bekend staan als tertres tumulaires. De heuvel rijst meestal niet meer dan 1 à 2 meter op, maar strekt zich wel over een lengte van 50 tot 100 meter uit. Omvangrijker is de tumulus of cairn, die waarschijnlijk werd opgeworpen om het graf te bedekken van een vorst of een groep prehistorische edelen. Het woord “cairn” verwijst naar de steenkern in de heuvel. De opgeworpen heuvels bevatten namelijk niet alleen aarde, maar ook een kern van allerlei gesteente rond de grafkamer. Dikwijls wordt een hoofdgraf van een aantal bijgraven onderscheiden. Een dolmen is het type graf dat kenmerkend is voor de megalithische cultuur in Bretagne. Dit type graf komt het meest overeen met de Drentse hunebedden: een grote liggende steen (deksteen), gesteund door diverse rechtopstaande stenen (draagstenen). De opstelling van de draagstenen varieert bijv. rechthoekig of rond. Een veronderstelling is dat de dolmens ooit bedekt werden met aarden heuvels, die in de loop der tijd door weer en wind zijn weggevaagd. Het eenvoudigste type dolmen, zoals in Drenthe, is veel minder vaak aanwezig dan de zogenaamde dolmen à couloir. Deze is zo genoemd omdat de grafkamer aangevuld wordt met een gang, veelal minder dan 11 meter lang. De kamer is cirkelvormig, vaak overwelfd met stenen die met de kraagsteentechniek zijn opgestapeld. De gang (couloir) bestaat uit dek- en draagstenen. Soms hebben de graven nog een of meer zijkamers (cambre latérale). Ook verbreedt de gang zich soms tot een grafkamer (V-vorm) of is de grafkamer een zijdelingse uitbouw aan het einde van de gang (P-vorm). Wanneer de gang niet rechtlijnig is, maar een duidelijke knik maakt, dan wordt gesproken van een dolmen coudé. De ingang is meestal is meestal aan het begin van de gang, maar wordt soms ook zijdelings van de gang aangetroffen. De heftige discussies over de ontwikkeling van graftypes lijkt achterhaald, sinds in 1955 de cairn van Barnenez werd (her)ontdekt, waarbij vast kwam te staan dat hier in één graf de meest uiteenlopende grafkamervormen naast elkaar bestonden. Een kenmerkende variant van de dolmen is de allée couverte. Dit type graf kent geen onderscheiding van grafkamer(s) en gang, maar bestaat uit één langere gang die op het einde min of meer onmerkbaar overgaat in de grafkamer. Uit: Normandië Bretagne, ANWB Goud (2008).
Frankrijk - Corsica Megalieten, dolmens en andere constructies van platte stenen zijn met name in het zuiden van Corsica te vinden. De Corsicaanse megalieten cultuur is verdeeld in 3 perioden: megalithicum I, II en III. In het megalithicum III (is onderverdeeld in 6 fasen) werd de horizontale monoliet vervangen door een verticaal mensvormig beeld. De beelden verschillen afhankelijk van door wie ze zijn gemaakt. In de periode van invasies waren ze bijvoorbeeld gewapend en later weer niet. De stenenrij van Pagliaghju is met ongeveer 260 monolieten de grootste van het westelijk Middenlandse Zeegebied. Vlakbij deze stenenrij bevinden zich de megalieten van Cauria. Het plateau van Cauria werd in de bronstijd bewoond door een beschaving die vele sporen heeft nagelaten o.a. 2 stenenrijen en 1 dolmen. De stenenrij van Stantari bestaat uit een twintigtal menhirs die bijna allemaal zijn bewerkt (gezichten, wapens etc.). Een paar honderd meter verderop staat de stenenrij van Rinaiu met ook een aantal bewerkte menhirs. Nog weer een paar honderd meter verder staat de dolmen van Fontanaccia die in 1840 werd ontdekt. Het is de belangrijkste en best bewaarde dolmen van het eiland. Volgens de plaatselijke overlevering is het een duivelse plek waar een of andere offerrite plaatsvond. Vandaar de Coriscaanse bijnaam van 'A stazzona di u Diavuli' (de duivelssmidse). Filitosa is een van de belangrijkste vindplaatsen van het eiland en zelfs van het Middellandse Zeegebied. De streek heeft een geschiedenis van meer dan 8000 jaar achter de rug. In de oudere steentijd sloegen mensen op deze door rotsen beschutte plek hun kamp op. Iets later (in de jonge steentijd, ongeveer 3000 v. Chr.) vestigden anderen zich op de heuvel en richtten de eerste menhirs op. 1500 jaar later (bronstijd) bewerkten de bewoners de stenen (menhirbeelden) en bouwden permanente woningen. Vervolgens werd Filitosa een cultusoord, waarvan de monumentale altaren nog getuigen. Op het menhirbeeld dat de naam Filitosa V heeft gekregen, is aan de ene kant een zwaard uitgehouwen en aan de andere kant een wervelkolom. Op de grootste heuvel staat het centrale monument: trappen en muren van steen en prachtige menhirbeelden uit de Torreaanse tijd. Met name menhir Filitosa IX heeft een duidelijk gelaat. Dit monument wordt omringd door schuilplaatsen, putten en andere zeer oude woonvormen. In het midden van deze versterkingen vonden volgens archeologen de religieuze riten van de bewoners plaats zoals offerandes, gebeden en lijkverbrandingen. Onder aan de heuvel staan vijf gebeeldhouwde menhirs in zuilvorm met daar achter een olijfboom van 1200 jaar oud. Een menhir die zich in het noorden van het eiland bevindt, is dat in Patrimonio. Dit beeld werd ruim 3000 jaar geleden uit kalksteen gehouwen en werd in 1965 opgegraven. Het heeft enigzins de vorm van een mes en stelt een vreemd menselijk gelaat met een raadselachtig blik. Het is in een afgesloten hokje geplaatst omdat er nogal veel graffiti op werd gespoten. Bron: Corsica. Trotter Reisgidsen(2014).
België In België komen op verschillende plaatsen dolmens voor. De 2 bekendste staan in Wéris en zijn gebouwd door de Seine-Oise-Marne-cultuur (SOM) in het laat-Neolithicum. De kern van deze cultuur bevond zich in het Bekken van Parijs, maar had uitlopers tot in het noorden (In België: de vallei van de Maas en de Samber), Vlaanderen en Zuid-Nederland. De Ardennen lagen binnen een uitloper van het SOM-gebied maar buiten het Trechterbekercultuur (TRB)-gebied. Verschillen tussen de dolmen van de SOM en die van de TRB: - De SOM exemplaren zijn over het algemeen veel kleiner dan de TRB hunebedden; - De dolmens van Wéris zijn gemaakt van puddingsteen, een in de streek veelvoorkomend sedimentgesteente. - De dolmens hebben als toegang een in de korte zijde uitgehakte opening. De gevonden beenderresten wijzen er op dat er vroeger mensen in begraven zijn. Bron: Wikipedia (september 2012). Engeland Rond 3700 v. Chr. arriveerden boeren uit het Middellandse Zeegebied in Engeland. Er ontstond een landschap met een lappendeken van velden. De nieuwkomers hielden vee, plantten tarwe en gerst en verbrandden meer bos, vooral in de heuvels van Zuid-Engeland, dat met zijn kalkbodems makkelijk te bewerken was. Rond 2000 v. Chr., in het laat-Neolithicum, kwam de Klokbekercultuur naar Engeland en brachten brons mee uit het Iberisch schiereiland en de Lage Landen. In die periode zijn er veel megalithische constructies gebouwd waaronder tumuli, in het Engels ook wel barrows genoemd. Een bekende tumulus is de West Kennet Long Barrow die zich in het zogenaamde Stonehenge, Avebury and Associated Sites bevindt. Deze UNESCO World Heritage Site, die in het zuiden van Engeland in Wiltshire ligt, is 26 km2 en heeft het wereldberoemde prehistorische monument Stonehenge als centrum. Stonehenge heeft een aantal trilieten die ook wel trilithons worden genoemd: twee verticale stenen die een derde horizontale steen ondersteunen. Archeologen definiëren een henge als een structuur bestaande uit een cirkelvormige verhoogde afsluiting met een interne gracht. In Stonehenge bevindt de gracht zich buiten de afsluiting, dus eigenlijk is Stonehenge geen echte henge. Avebury is daarentegen wel een echte henge. Bron: Wikipedia (september 2012).
Denemarken Stille getuigen van de Deense prehistorie zijn er genoeg. Verspreid over Jutland en de eilanden liggen duizenden dolmens, hunebedden en tumuli. Over gebrek aan stenen hadden de bouwers van die megalitische grafmonumenten niet te klagen. De gletsjers van de ijstijden hadden genoeg zwerfkeien achtergelaten. Overigens hadden diezelfde ijstijden de vroege ontwikkeling van culturen onmogelijk gemaakt. Half Denemarken lag onder loodzware gletsjers en slechts in interglaciale periodes kon de mens tot in Jutland doordringen, op jacht naar voornamelijk rendieren en wat klein wild. Na de ijstijden brak de periode aan waarin de zee langzaamaan bezit nam van het door de gletsjers omlaag gedrukte en maar langzaam oprijzende land. De Noordzee en Oostzee kregen vorm en de gletsjerdalen liepen vol tot brede, langzaam stromende rivieren en ondiepe zeestraten. Vis werd naast wild het hoofdvoedsel; dat blijkt uit de vele afvalhopen die zijn aangetroffen. Zo heeft men verschillende subculturen kunnen onderscheiden, genoemd naar de vindplaatsen: Maglemose (tot circa 6000 v. Chr.), Kongemose (tot circa 5200 v. Chr.), Ertebølle (tot circa 4200 v. Chr.). In het late Stenen Tijdperk (vanaf circa 4000 v. Chr.) werd men minder afhankelijk van de jacht en ging men over op vormen van landbouw. In die periode begon men ook met het bouwen van de grote graven/grafheuvels waarvan heden ten dagen nog steeds exemplaren bestaan. Bron tekst: Denemarken. ANWB reisgids (1993). Duitsland In Noordwest Duitsland zijn concentraties van megalitische monumenten te vinden. De monumenten bestaan grotendeels uit zogenaamde ganggraven. Als wordt gekeken naar de bouwconstructie verschillen ze aanzienlijk van de monumenten zoals we ze in Denemarken en Scandinavie vinden ook zal zijn die van dezelfde Trechterbekercultuur. Ze lijken veel meer op de hunebedden in Drenthe in Nederland. In Noordwest Duitsland vinden we sinds de Middeleeuwen, in veel historische documenten, verhalen en legendes bewijs van de grote betekenis die de hunebedden hadden voor de fantasiewereld en het dagelijks geloof bij de lokale bevolking. Veel hunebedden hebben bijzondere namen gekregen, vaak met een relatie tot de duivel of figuren met super natuurlijke krachten en legendarische populaire helden. De “Straße der Megalithkultur” verbindt de steden Osnabrück, Meppen en Oldenburg. Het is 330 km lang en combineert de historisch meest interessante plekken en de best bewaarde hunebedden met elkaar. Sinds 27 april 2014, tijdens het Europees breed georganiseerde ‘Dag van de Megalithische Cultuur’ is een bewegwijzerd fietspad gerealiseerd die de toeristische route verder aanvult. Het is aanvullend aan de autoroute die er sinds 2009 is. Aanvullend is er ook nog een supra-regionale wandelroute, de Hunenweg, welke de regio’s Osnabrucker land, het Emsland en Drenthe in Nederland met elkaar verbindt. Deze is al in 2005 gerealiseerd. Bron: www.megalithicroutes.eu (november 2016).
|